Ik ben een tuinman, niets dan dat,
met aarde en met mest bespat;
ik buig mij neer, ik richt mij op,
ik klem de schoffel en de schop.
Ik wied, ik volg mijn diepste wet,
als ik de naakte zaailing zet;
ik richt mij op, ik buig mij neer.
Een tuinman ben ik en niets meer.
(Ida Gerhardt)
Het heeft geen naam
het valt wel mee
het is toch niet zo kwaad het lijkt
Laat alles zijn
en niets vergeten
als ik terugkeer
wil ik heten
(naar Neeltje Maria Min)
Ze is altijd wat stoffig
En verliest dikwijls haren
Haar kleedje is kleurig
Haar hoedje staat recht
Pronte borsten gaan schuil achter een stijve blouse
Maar niets past bij elkaar
Opeens houdt ze stil
En grijpt uit de vuilbak
een half opgegeten hamburger
Hoe ongegrond kan haat zijn
Hoe ongericht mijn pijlen
Hoe angstig kan ik beven
Voor iets dat niets teweeg brengt
Wie maakt dan iets of laat gebeuren
Wie vraagt zich af of treuzels keuren
Wat geeft mij troost als ik kan keren
Wat laat mij pijn met lustig weren
Ik geef geen krimp
En laat mij vieren