Nee, na dertien jaar voel ik me nog altijd niet beter dan anderen. Ik heb veel geleerd. Ik ben veel te weten gekomen over hoe het mechanisme in elkaar steekt. Hoe mensen elkaar beïnvloeden, en hoe ze elkaar proberen de loef af te steken. Een gevangenis is een maatschappij op microniveau. Met harde wetten en regels, die je gemakkelijk overtreedt als je nieuw binnenkomt. Logisch natuurlijk, ze staat nergens geschreven en je komt ze door schade en schande te weten. Drugs en alcohol? In alle soorten en maten te verkrijgen. Je hoeft er niet eens moeite voor te doen om ermee in aanraking te komen. Sterker nog, ze duwen het door je strot en als je vriendelijk bedankt, kun je nog eens een trap nakrijgen.
Dertien jaar cel doet vreemde dingen met een mens. Ik sliep niet, maar rustte af en toe uit. Ik at niet, maar voedde mezelf. Ik liep niet, maar liet me wandelen van de ene naar de andere plek. Ik dacht niet langer na, maar probeerde me te dwingen mijn hersens te gebruiken. Mensen denken soms dat een gevangenis luxe biedt, zoals mogelijkheden om te studeren, lezen, verdiepen… Bij mij werkte het averechts.
Ik werd er moordlustig van, en bij tijden agressief. Niet letterlijk, maar in mijn hoofd. Begon te prutsen aan een plekje op mijn rechterknie dat me begon tegen te staan. Tot bloedens toe probeerde ik een (denkbeeldig?) gezwel te verwijderen, tot ik met angstzweet in mijn nek mezelf tot de orde moest roepen. Ja, ik moest echt tegen mezelf roepen zodat ik mezelf niet het ergste aandeed.
Hallo, ik ben van hiernaast. Ik wilde vragen of ik een kopje suiker kan lenen. Ik ben een cake aan het bakken, en het valt me ook wat tegen hoor, maar ik ben dus vergeten genoeg suiker te kopen. Ik bedoel, ik wil hebben, ik dacht dat ik genoeg had, maar dat is dus niet zo. Ik kwam net tekort. En een suiker met te weinig eieren, ach, ik bedoel, een cake met te weinig suiker, dat smaakt naar niks. Dus daarom, als u het nog heeft tenminste, heeft u nog een kopje suiker over? Ik kan het morgen terugbrengen hoor. En het is grappig, want ik was al naar de nachtwinkel, maar die had ook geen suiker meer. Kun je het je voorstellen? Alle suiker op in de nachtwinkel. Ik had al een pak zout te pakken, maar dat moet ik dus niet hebben. O, is dat geen echt boeket? Goh, het ziet er wel echt uit. Maar het pakt wel veel stof, niet? Niet dat hier veel stof op zit hoor, of dat het hier vies is, haha, stel je voor, dat je buren je komen vertellen dat je moet poetsen, hahaha. Ah, dat is van die basterdsuiker die mijn moeder vroeger ook had. Oh, is dat de nieuwe bank die overlaatst geleverd werd? Past goed bij de rest van het interieur, niet? Mooie kleur ook. Ja, bij mij zou dat niet passen. Veel te schreeuwerig. Alsof een incontinente nicht heeft lopen kotsen, zou mijn kapper zeggen. Hahaha! Ah, een beetje meer, kan dat? Anders kom ik misschien net tekort. Ik zal het kopje straks komen terugbrengen hoor. Geen probleem. Als ik … (deur slaat dicht) Zeg, onbeleefderik, ik was nog wel iets aan het zeggen eh…
Er was veel volk op de begrafenis van het kind dat ik heb doodgereden. Veel volk, maar weinig mensen. Ik kijk voor mij naar de gebedsbank en tel de groefjes. Kun je ook aan een verwerkte plank zien hoe oud de boom is geworden? Of kan dat alleen als je een verse boom doorzaagt? Vier jaar. Nog niet geleefd, nog niets gebeurd. Huilende ouders. Buren met krokodillentranen. Waarom ik hier kom? Ik heb het mezelf beloofd. Is het zelfpijniging? Ik zou niet kunnen leven met het idee niet op de begrafenis te komen. Bovendien is het in mijn eigen dorp.
Van tevoren had ik me bedacht dat het verreweg het ergste is wat me ooit zou overkomen. Dat ik nooit meer onder de mensen zou durven komen. Zou vluchten naar de verste uithoek op deze planeet. Ik begin mezelf te verwaarlozen. Blijf langer in bed liggen dan nodig is en ga er ook pas later in. Kan iemand me uitleggen wat er precies is gebeurd als je je schuldig voelt, maar je weet niet waarover juist? Ik kijk door het raampje in de zware houten deur hoeveel mensen er in de kerkbanken zitten. En waarom zijn ze hier, omdat ze het meisje kennen? Of om te zien of de moordenaar misschien als een geest door de kerk zweeft? Niemand weet hoe het eruitziet als we zijn gestorven, en toch willen we er allemaal iets van meekrijgen als er iemand in onze naaste omgeving sterft. Haaien zijn het, de anderen. Ze slokken gedachteloos de mijmeringen op van hun grootste slachtoffers. Televisie is hard op weg om de grootste gedachtenopslorper te worden. WAAROM ZOU IK NOG NADENKEN OVER HET VERLEDEN, IK HEB MIJN HANDEN VOL AAN DE TOEKOMST. Wat een waardeloze gedachten komen er in mij op als ik over mezelf nadenk als een moordenaar. Zoals zelfmoord zwakte is van het vlees, is moord dat van vlees en geest tegelijkertijd. Want je bent met je gedachten bezig jezelf een rol toe te kennen die niet de jouwe is.
23… 24, 25, hé, ken ik die vrouw niet? Stond zij niet op de stoep toen het onfortuinlijke gebeurde? Pas toen ik een minuut of tien aan het doorrijden was, kon ik me iets voorstellen bij de term ‘hit and run’. ‘Hit’, dat is degene die het misdrijf begaat. Want reken maar dat je een klap krijgt als je zo’n ongeluk begaat. Eerst van de klap van het arme kind tegen de auto, dan de klap van mijn ingewanden die door mijn lijf daveren. En voor je het weet ben je onderweg naar ergens anders. De jakhalzen. Zie hoe ze uitkijken naar wie er nog allemaal verdriet komt betuigen. Ik ben thuisgekomen, heb de auto in de garage gereden en heb zorgvuldig alle sporen uitgewist. En wees nu eerlijk, CSI en alle detectives ten spijt, er wordt echt niet zo gewerkt in de echte wereld. Geen enkele ziel in deze wereld kan zoveel energie opbrengen om zo naarstig te zoeken naar sporen. Dat bestaat alleen in tv-series en Hollywoodfilms.
Ik strek mijn rug. De kerk is volgelopen. In mijn hoofd loop ik nog eens rustig door wat ik ga zeggen. Ik schraap mijn keel, haal nog eens diep adem en trek mijn smetteloos witte habijt over mijn hoofd. Het blauwpurper en karmozijnrood van de priesterkleding doet pijn aan mijn ogen. Terwijl de zware houten deur van de sacristie naar de kerk openzwaait, klinkt het schelle geluid van de antieke kerkbel. De gitzwarte plavuizen van de vloer leiden me naar het altaar. ‘In de naam van de vader, de zoon en de heilige geest …’ ‘Amen’, weerklinkt het massaal toegestroomde volk. De kleine kist in het midden van het kerkschip zal straks voor altijd onder de grond verdwijnen.