Al op heel jonge leeftijd wordt ons aangeleerd om dromen te hebben. We moeten ze nastreven, maar de kans is groot dat we ze nooit zullen bereiken. Met z’n allen jagen we ze na, in de tredmolen zoals de rest van de wereld. Hectisch, angstig, egoïstisch. Sportief, elkaar aanmoedigend of juist niet. Onze grootste droom kan gaan over de liefde, over een bepaalde job, over het bereiken van de allerhoogste top. Maar soms vergeten we dat we de droom al hebben geleefd. Kijken we pas achterom als de herinnering te hevig is vervaagd.
In een heel kleine wereld zou alles gemakkelijk zijn. We zouden elkaar snel aanspreken op fouten en tekortkomingen. We zouden geen moeite hebben om direct te zeggen wat we ervan vinden. Maar hoe dichtbij camera’s, web en journalisten van over de hele wereld ons ook brengen, de afstand lijkt alleen maar groter te worden. We durven amper te spreken met onze medereizigers op de trein, maar bespieden wel de buurvrouw. We willen alles weten over onze medemensen, maar huiveren bij de gedachte om er rechtstreeks mee te spreken.
Kun je dat opnieuw leren? En heeft dat dan te maken met kennismaken met je innerlijk? Moet het echt zo zweverig worden, of is het eigenlijk helemaal niet zo ver van wat we nu doen?
Er was veel volk op de begrafenis van het kind dat ik heb doodgereden. Veel volk, maar weinig mensen. Ik kijk voor mij naar de gebedsbank en tel de groefjes. Kun je ook aan een verwerkte plank zien hoe oud de boom is geworden? Of kan dat alleen als je een verse boom doorzaagt? Vier jaar. Nog niet geleefd, nog niets gebeurd. Huilende ouders. Buren met krokodillentranen. Waarom ik hier kom? Ik heb het mezelf beloofd. Is het zelfpijniging? Ik zou niet kunnen leven met het idee niet op de begrafenis te komen. Bovendien is het in mijn eigen dorp.
Van tevoren had ik me bedacht dat het verreweg het ergste is wat me ooit zou overkomen. Dat ik nooit meer onder de mensen zou durven komen. Zou vluchten naar de verste uithoek op deze planeet. Ik begin mezelf te verwaarlozen. Blijf langer in bed liggen dan nodig is en ga er ook pas later in. Kan iemand me uitleggen wat er precies is gebeurd als je je schuldig voelt, maar je weet niet waarover juist? Ik kijk door het raampje in de zware houten deur hoeveel mensen er in de kerkbanken zitten. En waarom zijn ze hier, omdat ze het meisje kennen? Of om te zien of de moordenaar misschien als een geest door de kerk zweeft? Niemand weet hoe het eruitziet als we zijn gestorven, en toch willen we er allemaal iets van meekrijgen als er iemand in onze naaste omgeving sterft. Haaien zijn het, de anderen. Ze slokken gedachteloos de mijmeringen op van hun grootste slachtoffers. Televisie is hard op weg om de grootste gedachtenopslorper te worden. WAAROM ZOU IK NOG NADENKEN OVER HET VERLEDEN, IK HEB MIJN HANDEN VOL AAN DE TOEKOMST. Wat een waardeloze gedachten komen er in mij op als ik over mezelf nadenk als een moordenaar. Zoals zelfmoord zwakte is van het vlees, is moord dat van vlees en geest tegelijkertijd. Want je bent met je gedachten bezig jezelf een rol toe te kennen die niet de jouwe is.
23… 24, 25, hé, ken ik die vrouw niet? Stond zij niet op de stoep toen het onfortuinlijke gebeurde? Pas toen ik een minuut of tien aan het doorrijden was, kon ik me iets voorstellen bij de term ‘hit and run’. ‘Hit’, dat is degene die het misdrijf begaat. Want reken maar dat je een klap krijgt als je zo’n ongeluk begaat. Eerst van de klap van het arme kind tegen de auto, dan de klap van mijn ingewanden die door mijn lijf daveren. En voor je het weet ben je onderweg naar ergens anders. De jakhalzen. Zie hoe ze uitkijken naar wie er nog allemaal verdriet komt betuigen. Ik ben thuisgekomen, heb de auto in de garage gereden en heb zorgvuldig alle sporen uitgewist. En wees nu eerlijk, CSI en alle detectives ten spijt, er wordt echt niet zo gewerkt in de echte wereld. Geen enkele ziel in deze wereld kan zoveel energie opbrengen om zo naarstig te zoeken naar sporen. Dat bestaat alleen in tv-series en Hollywoodfilms.
Ik strek mijn rug. De kerk is volgelopen. In mijn hoofd loop ik nog eens rustig door wat ik ga zeggen. Ik schraap mijn keel, haal nog eens diep adem en trek mijn smetteloos witte habijt over mijn hoofd. Het blauwpurper en karmozijnrood van de priesterkleding doet pijn aan mijn ogen. Terwijl de zware houten deur van de sacristie naar de kerk openzwaait, klinkt het schelle geluid van de antieke kerkbel. De gitzwarte plavuizen van de vloer leiden me naar het altaar. ‘In de naam van de vader, de zoon en de heilige geest …’ ‘Amen’, weerklinkt het massaal toegestroomde volk. De kleine kist in het midden van het kerkschip zal straks voor altijd onder de grond verdwijnen.
Het is geen moeite om van een goede situatie iets bijzonders te maken. De echte levensgenieter maakt zelfs van een onbenullig normale toestand een speciale gelegenheid. Zonder champagne, zonder kaviaar, maar met de blote handen en creativiteit. Daarin ligt de échte dagelijkse uitdaging!
Nuttig
Maak jezelf nuttig, onmisbaar, gewild, zodat mensen omkijken als je langsloopt. Ook al ben je zo lelijk als de nacht, toch luisteren ze naar je. Ook al ben je te zwaar, mensen lachen om je grappen. Mensen kijken uit naar je komst en zijn teleurgesteld als je opstapt. Vergeef ze, want hun leven is te eenvoudig. Zij weten niet beter dan het leven van anderen te bewonderen, alleen op die manier wordt hun eigen leven de moeite waard. Ze stellen zich een ander leven voor, dromen dagelijks over belevenissen die ze zouden kunnen hebben. Kleed jezelf niet zoals anderen dat doen, want voor je het weet ga je verloren in de massa. En dan kijkt niemand meer om. Integendeel. Dan kijkt iedereen dwars door je heen.
“Nee, ik ben meteen op hen toegestapt. Ik heb gevraagd of ze wilden stoppen met die mensen lastig te vallen. Ze zaten daar met een kleine van nog geen drie jaar oud denk ik. Ik weet niet wat de aanleiding was.” De politieagent grijpt met een verbeten grimas naar zijn voorhoofd. De druppels zweet parelen langs zijn slapen. “Ziet u, ik ben nooit iemand geweest die zaagt over de jeugd van tegenwoordig. Maar twintig jaar jeugdcriminaliteit doet je toch wel even slikken. En dat is licht uitgedrukt. “Ik realiseerde maar half wat er gebeurde toen ik terug op mijn plaats ging zitten. Opeens slaat een van de jongeren die we net uit de bus hadden gezet, de ruit aan diggelen. Ik kon me het gewoon niet voorstellen.”

Het gebeurde een paar jaar geleden, maar als ik dan nog eens iets hoor over criminaliteit of erover nadenk, herinner ik het me nog heel goed. Ik ben onderweg rond middernacht naar Club Geluk (what’s in a name). Twee gasten lopen vlak achter me, een van het trapt op mijn hakken. Ik kijk verbaasd om, zeg zelfs sorry en dan blijkt dat het de bedoeling was … Onmiddellijk voel ik dat ze mij hebben uitgekozen om te pesten. Ze giechelen wat, mijn hart klopt al in mijn keel, maar ik zie genoeg mensen om mij heen om stevig door te stappen. Ze blijven me op de hielen en ik denk dat ze of veel hebben gedronken, of iets hebben gebruikt. Ik draai me om en vraag wat ze moeten. Ze reageren vijandig en mompelen iets onduidelijks. Of … ik ben het gewoon vergeten. Hoe vaak ik mezelf niet heb vervloekt! Mezelf kwalijk genomen dat ik niet een ervan in zijn ballen heb getrapt. Waarna de andere zou afdruipen, wel te verstaan. Want als hij mij dan ook zou toetakelen … nee, zo zou het niet moeten gaan. Maanden later riep diezelfde kerel mijn moeder binnen in een kledingzaak toen we die passeerden. Gewoon, als reclamepraatje. De schrik sloeg me alweer om ‘t hart. Ik had toen naar hem willen toestappen, hem alsnog zijn vet geven. Maar ik heb het maar gewoon zo gelaten.
Ik wil geen schrik hebben, nergens ter wereld. Niet in Mexico City, niet ’s avonds laat, niet ’s morgens vroeg. Misschien toch die karatelessen overwegen?
Sommige mensen voelen zich ook altijd slecht over van alles en nog wat in de wereld. Alles, maar dan ook werkelijk alles kan een reden zijn om te beginnen klagen. Als het warm is, is het altijd te warm. Koud, altijd te koud. Regenachtig, te nat. Het water is altijd te nat en de wereld geeft gelukkig altijd genoeg redenen om te klagen. Is dat de inborst van de gemiddelde Vlaming? Ben ik er extra gevoelig aan?
Een nieuwe werkplek, een nieuw uitzicht. Maar na twee dagen is het al verpest door iemand die niets anders doet dan klagen. Het zou nog niet zo vervelend zijn, als hij het voor zich zou houden. Het kan over het weer gaan, zoals hierboven, over een jas die hij te lang draagt, een winkel die te ver weg is, een collega die hem niet bevalt…
Ondertussen dwalen mijn gedachten af naar andere oorden. Geen kantoor meer, maar mijn eigen huis. Ik surf voor een weekendje uit naar de website van Chalet des Hirondelles. Een foto van de keuken, die zich in het sousterrain bevond, slingert me in een beweging terug naar een andere wereld. Die van Benny en Nicole, yogaweekenden, Wimke, lange avonden met rokerige whisky en veeleisende klanten. Maar ook naar het plezier van het koken, klaarmaken van de ontvangstzaal en de kleine ergernissen naar het personeel. En hoe heette die vrouw ook alweer die meekwam met haar zwarte Vito? Wat een plezier had ik toen in mijn werk, ook al was het maar spielerei. Nooit had ik toen gedacht dat ik op een bureau terecht zou komen.
Ik ging van Utrecht naar Antwerpen en borg mijn dromen op. Zo voelt het toch achteraf. Een nieuwe toekomst met journalistiek gloorde aan de horizon, in welk avontuur ik mij met veel plezier stortte. Schrijven voor een krant, dat was een nieuwe droom. Met succes: mijn artikels werden bijna dagelijk gepubliceerd. Tot ik nog andere dromen wilde invullen. Theater, op reis, geweldige ervaringen stuk voor stuk. En nog altijd mag ik mij erop verheugen zo nu en dan de hort op te gaan met de theatergroep. Zoals straks weer. Dromen mogen blijven, en een stukje ervan realiseren van tijd tot tijd is misschien voldoende?