Al op heel jonge leeftijd wordt ons aangeleerd om dromen te hebben. We moeten ze nastreven, maar de kans is groot dat we ze nooit zullen bereiken. Met z’n allen jagen we ze na, in de tredmolen zoals de rest van de wereld. Hectisch, angstig, egoïstisch. Sportief, elkaar aanmoedigend of juist niet. Onze grootste droom kan gaan over de liefde, over een bepaalde job, over het bereiken van de allerhoogste top. Maar soms vergeten we dat we de droom al hebben geleefd. Kijken we pas achterom als de herinnering te hevig is vervaagd.
In een heel kleine wereld zou alles gemakkelijk zijn. We zouden elkaar snel aanspreken op fouten en tekortkomingen. We zouden geen moeite hebben om direct te zeggen wat we ervan vinden. Maar hoe dichtbij camera’s, web en journalisten van over de hele wereld ons ook brengen, de afstand lijkt alleen maar groter te worden. We durven amper te spreken met onze medereizigers op de trein, maar bespieden wel de buurvrouw. We willen alles weten over onze medemensen, maar huiveren bij de gedachte om er rechtstreeks mee te spreken.
Kun je dat opnieuw leren? En heeft dat dan te maken met kennismaken met je innerlijk? Moet het echt zo zweverig worden, of is het eigenlijk helemaal niet zo ver van wat we nu doen?





